Aat van Nie werd op 21 mei 1927 in Arnhem geboren als Alida Antoinetta, en werd door haar ouders direct Aatje genoemd. Zij ging naar de lagere school in Velp, en deed vervolgens HBS-B in Arnhem.

Eigenlijk had Aat Nederlands willen studeren. Haar hele middelbare schooltijd had ze gedichten geschreven, verhaaltjes gemaakt, zo af en toe geïllustreerd met een vlotte schets of tekening. Haar schrijfsels publiceerde ze in de schoolkrant en andere blaadjes, of ze hield ze gewoon voor zichzelf. In 1948 verscheen een bloemlezing van de moderne Nederlandse poëzie, De wijdere wereld, waar ze figureerde  tussen Ida Gerhardt en Cees Buddingh’ met een gedicht dat ze in 1944 maakte naar aanleiding van de luchtlandingen in Arnhem bij gelegenheid van de operatie Market Garden.

Tegelijkertijd legde Aat haar observaties ook in beeld vast. Ze dichtte over die ene soldaat wiens parachute zich niet ontvouwde. En ze schetste in diezelfde tijd – in de vrieskou met ijskoude vingers – de boerderij in Putten waarnaar de familie geëvacueerd was. Of de Rijn die achteraf een brug te ver bleek te liggen.

September 1944

En moet je daar nu om huilen kind ?
Om dat enkele parachuutje,
Dat tussen die and’ren niet opengaat,
Maar als een steen naar beneden slaat,
Nog even scheef slierend, en vangend wat wind,
Iets wat er aan spartelt – waarom huil je nu kind ?

Maar in de jaren veertig was de universiteit, en in ieder geval de studierichting Nederlands, gesloten voor iedereen die niet het gymnasium had doorlopen. En één of twee jaar gymnasium volgend op de HBS die Aat net had voltooid, was geen optie in de familie van Nie. Dat was het moment waarop haar tekenlerares haar verbaasd vroeg: ‘Maar jij gaat toch zeker wel naar de academie, jij met jouw talent?’ En omdat ze niet echt iets interessanters wist te bedenken, ging ze in 1946 naar de Academie in Amsterdam. Ze volgde daar gedurende zes jaar de studie tekenen en kunstgeschiedenis, waar zij aktes A, B,C docentenopleiding behaalde.

Aat begon aan haar Academietijd met frisse tegenzin, zoals ze bijna alles in haar leven tegen wil en dank aanpakte, om daar dan vervolgens heel goed en vaak ook fanatiek in te worden.

Waar de weg tot het observeren en vervolgens noteren in woorden voorlopig was afgesloten, goot ze nu haast noodgedwongen haar observaties in de vorm van tekeningen, aquarellen en schetsen.